|
In de staten van Amerika deed rond de
onafhankelijkheidsverklaring in 1776 de geschreven Constitutie – een
beginselenwet van staatsinrichting, die hoger recht inhoudt en minder
gemakkelijk te wijzigen is dan gewoon recht – haar intrede in de geschiedenis.
De Amerikaanse grondwet, die van 17 september 1787 dateert en als de ‘moeder
der constituties’ wordt beschouwd, combineerde de Angelsaksische traditie in
het openbaar bestuur met hoogtepunten van het denken van de Verlichting: de idee
van volkssoevereiniteit (Rousseau), de scheiding der machten (die Montesquieu
toeschreef aan het Engelse staatsbestel), de gedachte van federalisme (ontleend
aan de ervaringen van de dertien Amerikaanse koloniën tijdens het Britse
bewind) en de idee van ‘bestuur door het recht’ – government by law –
(van Locke). Dit staatsstuk is vooral een bron van inspiratie geworden door de
vrijheidsgedachte die erin belichaamd is, dwz. in de Bill of Rights, de eerste
tien van de 26 amendementen die tot 1992 (de laatste in 1970) op de grondwet
zijn aangebracht. Deze kwamen in 1791 tot stand, maar zijn geen wijzigingen in
strikte zin en worden algemeen tot de originele Constitutie gerekend. In deze
Bill of Rights zijn rechten van de mens vastgelegd. Om enkele te noemen:
vrijheid van godsdienst en pers (1ste amendement), verbod van onredelijke
onderzoeking en beslagneming wat betreft het huis en de persoon (IV), garanties
voor een eerlijke berechting in strafzaken, inclusief het recht niet tegen
zichzelf te getuigen (V, VI), verbod van wrede en ongebruikelijke straffen (VII).
Later werd een verbod van slavernij toegevoegd (XIII) en het beginsel van
gelijkheid voor de wet (XIV). Centraal staat ook de eenheidsgedachte. De aanhef
van de grondwet zegt dat dit stuk is vastgesteld o.m. ‘om aldus een volmaakter
eenheid te vormen’ (to form a more perfect union). Opmerkelijk is hoe
dit gebeurt door een systeem dat het touwtrekken heeft geïnstitutionaliseerd.
Het doel van de meer volmaakte eenheid is op een allesbehalve uniformerende
manier vertaald in een stelsel waarin ‘checks and balances’ (onderlinge
controle en tegenwicht) centraal staan: in de verhouding tussen de federatie en
de deelstaten, in de verhouding tussen de drie gescheiden machten in de staat:
wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Daarmee zijn tevens de
voornaamste onderdelen van het Amerikaanse staatsbestel genoemd.
De wetgevende macht is opgedragen aan het Congress (Congres),
dat bestaat uit twee Kamers.De Senate (Senaat) telt twee leden voor iedere staat
(sinds 1969: 100 leden), die een zittingstermijn van zes jaar hebben. Om de twee
jaar worden verkiezingen gehouden voor een derde van de senatoren, die beschouwd
worden als ‘vertegenwoordigers van de duurzaamheid’. Het House of
Representatives (Huis van Afgevaardigden) heeft een zittingstermijn van twee
jaar. Het ledental is in 1929 vastgesteld op 435, met dien verstande dat iedere
staat tenminste één afgevaardigde heeft. De verdeling van de overblijvende
zetels over de staten geschiedt afhankelijk van het inwonertal. De indeling van
de kiesdistricten (opgedragen aan de parlementen van de deelstaten) heeft nogal
eens geleid tot zgn. gerrymandering, genoemd naar de afgevaardigde van
Massachusetts, Elbridge Gerry, die in 1811 zo bekwaam een district formeerde dat
zijn tegenstanders geen schijn van kans meer hadden. ( ‘Dat district lijkt op
een salamander’, riep een van hen verontwaardigd uit, waarop een ander zei:
‘zeg liever een Gerrymander’.) Alle leden van Huis en Senaat kunnen
wetsontwerpen indienen; financiële wetten kunnen alleen van het Huis uitgaan.
De Senaat heeft in dat laatste geval echter een vrijwel onbeperkt recht van
amendement. Bij bijna alle belangrijke ontwerpen ontstaan in Huis en Senaat
verschillende versies. Deze worden dan verzoend in een conferentie, een
paritair samengestelde commissie. Om wet te worden moet een voorstel door beide
Kamers aanvaard zijn en door de president ondertekend worden. Deze laatste heeft
het recht van veto, maar dat kan door een twee derde meerderheid in beide Kamers
van het Congres overstemd worden.
Het Congres heeft ook andere dan wetgevende functies. Zo beslist
het Huis van Afgevaardigden (op basis van één stem per staat), indien bij de
presidentsverkiezingen geen kandidaat de meerderheid krijgt. Een quasi
rechterlijke functie is het impeachment, een speciale procedure om de president
en andere hoge functionarissen (federale rechters bijv.) uit hun ambt te
ontzetten. Daarbij beslist het Huis over de beschuldiging en de Senaat geeft
(bij twee derde meerderheid) het eindoordeel. In de executieve sfeer heeft de
Senaat een goedkeuringsrecht (advise and consent) ten aanzien van het sluiten
van traktaten (twee derde meerderheid vereist) en ten aanzien van benoemingen in
– meest hogere – overheidsfuncties door de president. Gewoon terecht maakt
de Congresleden tenslotte tot behartigers van individuele belangen van hun
kiezers bij de nationale administratie.
Afgeleid van de wetgevende taak – maar in de praktijk van
zelfstandige betekenis – is het onderzoekswerk van het Congres, zich veelal
uitend in hoorzittingen (hearings). In de periode 1792–1925 besloot het
Congres tot 285 enquêtes, in de periode 1950–1952 alleen al tot 225. Zowel
wat betreft de onderzoekingen als het eigenlijke wetgevende werk wordt de
werkwijze van beide Kamers gekenmerkt door voorbereiding in commissies, die
daardoor een sleutelfunctie vervullen. Nog steeds geldt de karakteristiek van
Woodrow Wilson (1885): ‘Congress in its Committee rooms, is Congress at work’.
Ondanks herhaalde pogingen het aantal commissies binnen de perken te houden,
blijft het commissiesysteem onveranderd doorgaan. Het instellen van
afzonderlijke subcommissies blijkt voor veel congresleden verleidelijk om een
eigen forum te scheppen. In de loop der tijd is ook de betekenis van de
congressionele staven toegenomen. Congresleden beschikken over een groot aantal
persoonlijke assistenten. Anciënniteit was van oudsher de belangrijkste factor
bij de verdeling van de commissiefuncties, m.n. de voorzitterschappen. In de
periode van het Watergate-affaire (1973–1975) zijn echter hervormingen
doorgevoerd die de rol van de fractievergadering (caucus) hebben vergroot. Ook
is de geheimhouding, die veel congreswerk kenmerkte, afgezwakt. In de praktijk
berust de macht in het Congres bij de voorzitters van de belangrijkste
commissies en bij het leadership. Dit laatste bestaat uit de fractievoorzitters
en hun rechterhanden (whips) en de gekozen voorzitter van het Huis, de Speaker.
Deze is de voorman van de meerderheidspartij en van oudsher de machtigste figuur
in het Huis. De Senaat heeft als voorzitter (president pro tempore) de
vice-president van de Verenigde Staten, die een minder centrale positie inneemt.
Het Huis kent voorts een Rules Committee, dat o.m. de agenda vaststelt en
daarmee in sterke mate de gang van zaken bepaalt. Een traditioneel machtsmiddel
voor individuele Congresleden is de filibuster: het houden van lange
redevoeringen (doorgaans in afwisseling door een groepje) om zo de
totstandkoming van een ongewenst voorstel te blokkeren. Dit is vooral in de
Senaat voorgekomen, maar recente hervormingen maken het makkelijker het debat te
sluiten (cloture). Talloze speciale belangen laten zich bij het Congres
vertegenwoordigen door lobbies (pressiegroepen). Tegen het eind van de jaren
zeventig kwam het gebruik van grote computeradressystemen in zwang om fondsen
voor lobbying te werven en om handtekeningenacties te ontketenen.
De uitvoerende macht is opgedragen aan de president. Deze wordt
voor vier jaar gekozen (herverkiezing is slechts eenmaal mogelijk) in algemene
verkiezingen (kiesgerechtigde leeftijd vanaf 18 jaar) via een college van
kiesmannen, die per staat benoemd worden naar rato van het aantal zetels van de
staat in het Congres. De stembuswinnaar in een staat krijgt alle kiesmannen, hoe
klein zijn marge ook was. Ook de plaatsvervanger van de president, de
vice-president – die verder een ondergeschikte functie vervult –, wordt zo
gekozen. De opvolging berust verder bij: de voorzitter van het Huis van
Afgevaardigden, de plaatsvervangend president van de Senaat (de vice-president
is eerste voorzitter van de Senaat), de minister van Buitenlandse Zaken en
vervolgens andere leden van het kabinet. Het XXVste Amendement (1967) bevat een
regeling voor het geval de president ongesteld raakt en maakt het mogelijk in
een vacature van het vice-presidentschap te voorzien. De president benoemt dan
een opvolger onder goedkeuring van een meerderheid in beide Kamers van het
Congres.
De functie van president is het ‘donkere continent’ van de
Constitutie genoemd. De onbepaaldheid van deze functie wordt hierdoor
geïllustreerd dat zij door niet minder dan vier amendementen is gewijzigd (XII,
XX, XXII, XXV) terwijl slechts één – ondergeschikt – amendement betrekking
heeft op de rechterlijke macht (XI) en een op de wetgevende macht (XVII). De
president combineert een politiek en moreel leiderschap. Hij is ‘caesar en
paus tegelijk’ genoemd. Naar de woorden van president Th. Roosevelt is hij ook
‘bijna koning en eerste-minister in één’ – waarbij zij aangetekend dat
de angst voor het koningschap en de vrees voor caesarisme in het Witte Huis een
van de primaire drijfveren bij het opstellen van de grondwet was. Naar een
bekende uitspraak van president Harry S. Truman heeft de president zes ‘hoeden’,
zes functies of bevoegdheden:
a. Hij is staatshoofd. Hieronder valt
o.m. het afkondigen
van wetten en het gratierecht. Als staatshoofd wordt de president ook beschouwd
als ‘woordvoerder van de natie’ en heeft hij als weinig anderen toegang tot
de massamedia.
b. Hij is hoofd van de uitvoerende macht. Juist op dit punt
is de specificatie die de grondwet geeft, niet uitputtend. De president is
regeringsleider, hij heeft de taak erop toe te zien dat de wetten worden
uitgevoerd, hij is hoofd van het federale bestuursapparaat. De president heeft
ook het recht van benoeming en ontslag ten aanzien van (sleutel)functies in het
bestuur. Van oudsher is dit een bron van patronage – een geducht politiek
machtsmiddel –, al is deze mogelijkheid successievelijk door het Congres
ingedamd. Het meritsysteem geeft thans ca. 90% van de federale ambtenaren een
eigen rechtspositie.
c. Hij is opperbevelhebber van alle strijdkrachten en heeft
oorlogsbevoegdheden (war-powers). Hij beslist over het inzetten van troepen in
het buitenland en in het eigen land (president Eisenhower in Little Rock, 1957,
in verband met de rassenintegratie). Het ‘recht oorlog te verklaren’ is
voorbehouden aan het Congres, maar het recht oorlog te ‘maken’ aan de
president. Presidenten hebben in totaal zeker 149 maal troepen in actie gestuurd
zonder een formele machtiging van het Congres.
d. Bij de president berust het bestuur van de buitenlandse
betrekkingen. Ook op dit punt heeft het Congres in beginsel belangrijke
bevoegdheden, m.n. het goedkeuringsrecht inzake verdragen van de Senaat. De
president kan dit echter omzeilen door niet een verdrag in formele zin, maar een
‘executieve overeenkomst’ te sluiten, die zich aan deze inspraak onttrekt.
Bovendien heeft het Hooggerechtshof uitgemaakt dat hij op dit gebied een ‘inherente
macht’ heeft. Zo is van oudsher de positie van de president op dit vlak
overheersend: van de Monroe-leer ( ‘Amerika voor de Amerikanen’) tot de
Nixon-doctrine (inzake het subsidiaire karakter van Amerika's ‘politierol’
in de wereld) is de Amerikaanse buitenlandse politiek bepaald door het Witte
Huis.
e. Hij is initiator van wetgeving. Hoewel de wetgevende
macht, inclusief het recht van initiatief, bij het Congres ligt, vervult de
president op dit terrein toch een belangrijke rol. De grondwet draagt hem op
zich periodiek tot het Congres te richten (m.n. door de jaarlijkse ‘troonrede’:
State of the Union-boodschap) en voorziet daarnaast ook in het doen van
specifieke voorstellen. In de praktijk vinden belangrijke wetsontwerpen hun
oorsprong in de uitvoerende macht. Tegenhanger, op het eind van het wetgevend
proces, is het vetorecht van de president en zijn bevoegdheid tot impounding:
bevriezing van door het Congres gevoteerde fondsen.
f. Hij is hoofd van een politieke partij. De president is
automatisch leider van de politieke partij die hem kandidaat heeft gesteld. Dit
gebeurt in een ‘nationale conventie’ van die partij. De afgevaardigden naar
die bijeenkomst worden vaak aangesteld op basis van partijpolitieke
voorverkiezingen (primaries) in diverse staten.
De leer van de machtenscheiding brengt mee dat parlementaire
verantwoordelijkheid van de regering, zoals West-Europa die kent, in Amerika
niet bestaat. De president is onafzetbaar (behoudens impeachment) en dat
beheerst ook zijn optreden als regeringsleider. De grondwet noemt ‘de hoofden
der departementen’, maar het kabinet heeft (behoudens het goedkeuringsrecht
van de Senaat op benoemingen) een volledig van de president afgeleide functie.
Vooral na de Tweede Wereldoorlog is het belang van het kabinet afgenomen.
Allerlei afzonderlijke federale instellingen (zoals de NASA wat betreft de
ruimtevaart) kwamen op buiten het kabinet. Maar vooral groeide de eigen staf van
de president tot het werkelijke centrum van de regering: het Executive Office
kreeg een apart kantoorgebouw op het terrein van het Witte Huis. Een speciale
– en belangrijke – positie nemen de onafhankelijke regelgevende commissies
(independent regulatory commissions) in. Deze combineren ten aanzien van
bepaalde takken van nijverheid uitvoerende, rechterlijke en wetgevende functies
en zijn in hoge mate autonoom. De oudste is de Interstate Commerce Commission
(voor tussenstaatse handel) 1887. Andere belangrijke commissies zijn: de
Security and Exchange Commission (toezicht op de effectenhandel), de Food and
Drugs Administration (toezicht op productie van voedsel en farmaceutische
producten), de Federal Communications Commission (toezicht op radio, televisie
en telefoon), de Environmental Protection Agency (toezicht op naleving van
milieubeschermingsmaatregelen) en de Consumer Product Safety Commission, die een
consumentenbeschermende functie heeft.
Het Amerikaanse staatsbestel gaat uit van een voortdurend
constitutioneel touwtrekken tussen de drie machten in de staat. Vooral tussen
president en volksvertegenwoordiging is dat het geval. Het presidentschap is
daarbij zeer expansief gebleken. Steeds meer kan gesproken worden van een
presidentiële democratie. In het algemeen geldt de traditionele stelregel dat
alles tot de uitvoerende macht behoort wat niet uitdrukkelijk aan andere organen
van de Unie is opgedragen. Het Hooggerechtshof verbood in 1952 overigens
inbeslagneming door president Truman van de staalindustrie tijdens een
arbeidsconflict en stelde zo een grens aan de beweerde ‘inherente uitvoerende
macht’ van algemene aard.
|