George Bush Jr.
2001 - 2009

George Walker Bush, New
Haven (Connecticut), 6 juli 1946) is een Amerikaans
Republikeins politicus.
Hij was van januari 2001 t/m januari 2009 de 43ste
president van de Verenigde Staten.
George W.
Bush is de zoon van
George en Barbara
Bush. Zijn vader was de 41e
President van de Verenigde Staten. Bush behaalde
in 1968 de Bachelor-graad
aan de prestigieuze
Yale-universiteit en in 1975 een Master
of Business Administration aan de eveneens
beroemde Harvard
Business School. Tussen die twee studies was hij piloot van een
F-102, voor de Texas
National Guard.
George Bush
is een telg uit een familie van politici. Prescott Bush, de
grootvader van Bush, was senator en zijn
vader was president van 1989 tot
1993. Zijn broer Jeb was gouverneur van Florida van 1999 tot
2007. George W. Bush trouwde met Laura
Welch in 1977, een voormalige lerares en
bibliothecaresse. Zij hebben twee dochters, de
tweeling
Barbara en Jenna Bush.
Vroege leven
Bush werd
geboren in de staat
Connecticut, als eerste kind van George H. W. Bush
en zijn vrouw Barbara
Bush. Toen hij twee jaar oud was verhuisden ze
naar de staat Texas.
Hij werd opgevoed in
Midland en Houston. Het
echtpaar Bush kreeg na George nog vijf kinderen, Jeb,
Neil,
Marvin,
Dorothy en
Robin. Robin stierf in 1953 op driejarige
leeftijd aan leukemie.
Bush zat op
de
Phillips Academy en werd daarna student aan de
Yale-universiteit, de universiteit waaraan zijn
vader ook had gestudeerd. In 1968 werd hij Bachelor of Arts na
zijn studie geschiedenis.
Tijdens zijn tijd aan Yale hielp hij mee aan
verscheidene
verkiezingscampagnes voor de
Republikeinen. Bush werd aan Yale lid van het
besloten genootschap
Skull and Bones. Volgens Bush zelf was hij een
gemiddelde student.
In 1968 werd
Bush reserve-officier vlieger bij de Texas National
Guard. Tijdens de rest van zijn loopbaan zou hij
bekritiseerd worden, omdat zijn dienst daar te kort
te was en omdat hij onregelmatig aanwezig was. In
1972 werd hij overgeplaatst naar
Alabama, zodat hij daar kon werken aan de
Republikeinse senaatscampagne. In 1974 kreeg hij
permissie om zes maanden te vroeg zijn zesjarige
dienst af te sluiten, om te kunnen studeren aan Harvard.
Tijdens deze
periode had Bush een
alcoholprobleem. Bush heeft later toegegeven in
die tijd te veel te hebben gedronken en dat hij een
onverantwoordelijke jeugd heeft gehad. Op 4 september 1976 werd Bush gearresteerd
wegens rijden onder invloed. Hij werd schuldig
bevonden en mocht tot 1978 geen
auto meer rijden. Bush wist dit geheim te houden,
tijdens zijn jaren als gouverneur van Texas, maar
het zou later toch in de pers komen.
Nadat Bush
zijn
MBA aan Harvard had gehaald, ging hij de olie-industrie in. In
1977 werd hij door vrienden voorgesteld aan Laura Welch, die toen
lerares en bibliothecaresse was. George en Laura
trouwden nadat ze drie maanden een relatie hadden.
Ze gingen samen wonen in Midland,
waar ze in 1981 een tweeling kregen. Ze noemden de
tweeling Jenna en
Barbara.
In 1978 deed
Bush mee aan de verkiezingen voor het
Huis van Afgevaardigden, maar hij verloor van de
democraat
Kent Hance. Bush trok zich weer terug in de
olie-industrie en werkte voor verschillende
energiebedrijven. Hij zei de alcohol in 1986
voorgoed vaarwel en begon de Bijbel te
bestuderen.
Bush
verhuisde met zijn familie in 1988 naar
Washington, D.C., waar hij zijn vader steunde in
diens campagne voor het presidentschap. Samen met
Lee Atwater en
Doug Wead ontwierp hij een strategie, waarmee ze
de conservatieve kiezers zouden moeten winnen.
Toen Bush
weer terugkwam in Texas kocht hij een aandeel in de honkbalploeg de
Texas Rangers. Hij betekende veel voor de Texas
Rangers en dit leverde hem veel media-aandacht op.
De ploeg was het succesvolst toen George Bush de
organisatie leidde. In 1993 liep hij vlak voor de
gouverneursverkiezingen de marathon van
Houston.
Gouverneur
Gelijktijdig
met zijn vaders
verkiezingen in 1988 kwamen er speculaties dat
George W. Bush in 1990 mee zou doen aan de gouverneursverkiezingen.
Dit werd echter in de weg gezeten door persoonlijke
problemen en doordat hij net mede-eigenaar was
geworden van de
Texas Rangers. Mede door het succes dat hij
boekte bij de Rangers besloot George zich in 1994
kandidaat te stellen als gouverneur van Texas. Zijn
broer Jeb deed ook mee aan
de verkiezingen, maar dan in Florida. Toen Bush
vrij gemakkelijk door de
Republikeinen werd gekozen als nieuwe kandidaat,
moest hij het opnemen tegen de toenmalige gouverneur
Ann Richards.
Bush werd in
zijn campagne geholpen door een groep adviseurs,
waaronder
Karen Hughes,
John Allbaugh en Karl Rove.
Zijn team adviseurs besloot om de campagne te
richten op onderwijs,
criminaliteit en
deregulering van de
economie. Bush ontwikkelde tijdens de
verkiezingen een positief imago. De campagne werd
bekritiseerd, omdat controversiële methodes werden
gebruikt om Richards beleid aan te vallen. Door
indrukwekkend optreden tijdens de debatten groeide
de populariteit van Bush.
Als
gouverneur verbeterde hij de scholen en hervormde
hij het juridische systeem. Tijdens zijn
gouverneurschap werden er 152 gevangenen
geëxecuteerd, meer dan tijdens enig ander
gouverneurstermijn.
In 1998 werd
Bush herkozen met een meerderheid van 69% van de
stemmen. Hiermee werd hij de eerste Texaanse
gouverneur die werd verkozen voor twee termijnen van
vier jaar (voor 1975 waren er termijnen van twee
jaar).
Presidentsverkiezingen
Presidentsverkiezingen 2000
In
2000 werd Bush gekozen tot president, met een
zeer klein verschil van de democratische kandidaat
en zittende vicepresident Albert
Arnold Gore. Deze verkiezing tot president
verliepen controversieel. In de staat
Florida ontstond rumoer omdat een deel van de
stemmen in sommige districten ongeldig werden
verklaard omdat de stemmers crimineel zouden zijn
(plegers van bepaalde soorten misdaden verliezen hun
kiesrecht in de V.S.). Er werd ook gezegd dat de
stemformulieren in één county onduidelijk waren,
waardoor veel mensen verkeerd zouden hebben gestemd,
en dat elders niet alle stemmen door de machines
goed waren geteld, waardoor een handmatige
hertelling nodig zou zijn. Gore ging naar het
Hooggerechtshof van Florida om een dergelijke
hertelling aan te vragen, maar voor slechts vier
specifieke county's (namelijk county's waarvan het
bekend was dat de meerderheid van de geregistreerde
kiezers democraat was), en dit werd toegestaan.
Vervolgens
stelde Bush in een petitie aan hetzelfde gerechtshof
dat het hertellen in slechts vier uitgekozen
county's volgens de verkiezingswet van Florida niet
toegestaan is en dat de hertelling dus moest
stoppen, of minstens in
alle county's zou
moeten plaatsvinden. Dit argument werd afgewezen en
dus ging Bush naar het Federale Hooggerechtshof van
de Verenigde Staten om de plaatselijke hertellingen
te stoppen. (Voor een algemene hertelling was niet
genoeg tijd meer volgens de verkiezingswet van
Florida.) Met een 5-4 beslissing gaf het Federale
Hooggerechtshof Bush gelijk.
Uiteindelijk
behaalde Bush, dankzij een verschil van 537 stemmen
in Florida, een absolute meerderheid van stemmen in
het
College van Kiesmannen, en werd daarom tot
president gekozen. Omdat het aantal stemmen van het
College van Kiesmannen bepaalt wie er president
wordt, won Bush hoewel hij een minderheid van
stemmen van het volk had behaald toch de
presidentsverkiezing. Het was de zesde keer in
de geschiedenis van de V.S. dat dit gebeurde.
Presidentsverkiezingen
2004
Bij de
presidentsverkiezingen van 2 november 2004 won
Bush met 51% van de stemmen. Zijn tegenstander John Kerry kreeg 48%. Ook
verstevigden de republikeinen hun greep op het
Congres met zetelwinst in het
Huis van Afgevaardigden en de
Senaat. De
politieke strategie voor de herverkiezing van Bush
werd mede bepaald door Karl
Rove die wordt gezien als een belangrijke
adviseur van president Bush. Ook de Nederlander
Carel Verschoor is een belangrijk
buitenlandadviseur van Bush. De tweede en laatste
termijn van Bush is geëindigd op 20
januari 2009.
Net als in
de presidentsverkiezingen in 2000 waren er geluiden
te horen over verkiezingsfraude, ditmaal zou dat in
de staat Ohio moeten zijn gebeurd. Deze geluiden
lijken echter minder sterk dan in 2000.
Presidentschap
Hoewel Bush
verkozen werd op een programma van meest binnenlands
beleid zoals belastingverlagingen en andere sociale
en economische aangelegenheden waren het de Aanslagen
op 11 september 2001 die meer dan enige andere
gebeurtenis het presidentschap van Bush zou gaan
definiëren.
Buitenlands beleid en
veiligheid
Kyoto-protocol
Tijdens zijn
eerste presidentiële bezoek aan Europa in juni
2001 werd Bush bekritiseerd door
Europese leiders vanwege zijn verwerping van het
Kyoto-protocol, dat
een vermindering nastreeft van
kooldioxide-emissies die bijdragen aan de
opwarming van de aarde. Terwijl de
vertegenwoordigers van de Verenigde Staten en andere
landen nog onderhandelden over de Kyoto-protocol,
had de Senaat van de VS in 1997 in een 95-0 stemming
geëist dat er ook bindende verplichtingen zouden
komen voor ontwikkelingslanden in het protocol.
Hoewel het protocol in 1988 symbolisch werd
ondertekend door
Peter Burleigh, de waarnemende ambassadeur van
de VS aan de Verenigde
Naties, werd het door de toenmalige president
Bill Clinton nooit aan
de Senaat voorgedragen voor bekrachtiging. In 2002
protesteerde Bush sterk tegen het verdrag dat
schadelijk zou zijn voor de economische groei: "Mijn
benadering erkent dat de economische groei de
oplossing, niet het probleem is." De regering van
Bush betwistte ook de wetenschappelijke basis voor
het verdrag. In november 2004 bekrachtigde
Rusland het verdrag, waarmee
het vereiste minimum aantal van landen bereikt is om
de protocol van kracht te maken zonder de Verenigde
Staten.
Staal
De heffing
door Bush van tarieven op ingevoerd staal was
controversieel gezien Bush' vrije marktbeleid en
werd bekritiseerd door zowel medeconservatieven als
de betrokken landen. Het staaltarief werd later
herroepen onder druk van de
Wereldhandelsorganisatie.
Zachthout
Canada en de Verenigde Staten
hebben al sinds het begin van de jaren 1980 een
conflict over de handel in
zachthout. Een in 1996 getekende overeenkomst
liep in 2001 af en het conflict laaide weer op toen
de twee landen geen overeenstemming konden bereiken
over een nieuw akkoord. De regering Bush hief
vervolgens een importtarief op Canadees zachthout
die in 2003 door de NAFTA als illegaal werd
beoordeeld. In diezelfde beslissing oordeelde de
NAFTA overigens dat Canada haar
zachthoutindustrie oneerlijk subsidiëerde.
Internationale organisaties zoals de GTO en NAFTA
gaven conflicterende oordelen en het duurde tot juli
2006 totdat de regering Bush met de Canadese
regering tot overeenstemming kwam waarbij
gedeeltelijk aan de Canadese wens werd
tegemoetgekomen hoewel de VS niet alle geheven
importbelastingen zou hoeven terug te betalen.
Latijns-Amerika
Tijdens zijn
campagne in 2000 omvatte het buitenlands
beleidsplatform van Bush het steunen van een
sterkere economische en politieke verhouding met
Latijns-Amerika, vooral
Mexico, en een vermindering van betrokkenheid in
civiele en kleinschalige militaire overeenkomsten.
In Colombia ziet Bush een
sterke regionale bondgenoot in de strijd tegen het
terrorisme terwijl de populistische
Venezolaanse president
Hugo
Chavez, die Bush in de Verenigde Naties uiterst
ondiplomatiek toesprak, als een ontwrichtende
invloed wordt gezien. Met verscheidende landen in
Latijns-Amerika probeert Bush
vrijhandelsovereenkomsten te sluiten.
Afghanistan
Na de
terroristische aanvallen van 11 september 2001,
waarbij bijna 3000 Amerikanen werden gedood,
concentreerde het buitenlands beleid van Bush zich
veel meer op het
Midden-Oosten. Kort na de aanvallen, lanceerde
Bush een oorlog tegen
Afghanistan om het regime van de
Taliban omver te werpen,
omdat die Osama bin Laden
onderdak gaven. De Taliban weigerde om bin Laden
onvoorwaardelijk uit te leveren alsmede om
trainingskampen van terreurgroepen te sluiten,
waarna Amerika, samen met haar bondgenoten, militair
ingreep. Deze actie had sterke internationale steun
en de Taliban viel snel na de invasie. Heropbouwende
inspanningen onder de Afghaanse president
Hamid Karzai in overleg
met de Verenigde Naties
hebben gemengde resultaten gehad; Bin Laden werd
niet gevonden of gedood en hij is nog steeds
voortvluchtig. Een aanzienlijk Amerikaans contingent
van troepen en adviseurs bevindt zich nog in
Afghanistan en een deel van het land blijft
onrustig.
Rakettenverdrag
Op
14 december 2001 trok
Bush zijn land terug uit het
antiballistische rakettenverdrag van
1972, dat een basis was geweest
van kernstabiliteit tussen de VS en
Sovjet-Unie tijdens de
Koude Oorlog, die hij
niet meer relevant achtte. Bush heeft sindsdien
middelen geconcentreerd op een ballistisch
raketdefensiesysteem. Het voorgestelde systeem is
het onderwerp van veel wetenschappelijke kritiek
geweest. De tests op dit gebied zijn gemengd, met
zowel successen als mislukkingen. Het is gepland om
plaatsing te beginnen in 2005. Een ballistisch
raketdefensiesysteem zal geen kruisraketten of
raketten die door een boot of landvoertuig worden
vervoerd tegenhouden. Daarom stellen critici van het
systeem dat het een dure fout is, die voor de minst
waarschijnlijke aanval wordt gebouwd, een
ballistische raket met kernkop. Bush besteedt ook
aan militair onderzoek en ontwikkeling en
modernisering van wapensystemen, maar annuleerde
programma's zoals het gemotoriseerde
artilleriesysteem Crusader. Aanvankelijk werd ook
een begin gemaakt met onderzoek naar
bunker-infiltrerende
kernraketten.
Irak
Sinds de
beleidsbepaling in de
Akte van de Bevrijding van Irak in
1998, verklaarde de VS dat het
Saddam Hoessein zou
verwijderen van de macht in Irak. Na de
terroristische aanslagen op 11 september 2001,
stelde de regering van Bush dat de situatie in Irak
nu dringend was geworden. Het verklaarde dat Saddams
regime had geprobeerd om kernmateriaal te verwerven
en niet behoorlijke rekenschap had gegeven over
biologisch en chemisch materiaal dat het zou
bezitten, inclusief potentiële
massavernietigingswapens (MVW) in schending met
de sancties van de V.N. Er is debat gaande tussen
voor- en tegenstanders van de oorlog welk
bewijsmateriaal de VS en haar bondgenoten hadden dat
Irak massavernietigingswapens en banden met
terreurorganisaties had.
Bush
beweerde dat Saddam massavernietigingswapens aan
terroristen zoals Al Qaida
zou kunnen leveren. Beginnende in
2002 en met meerdere mate in de lente van 2003,
oefende Bush druk uit op de VN om op zijn
ontwapeningsmandaten aan Irak te handelen, leidende
tot de ontwapeningscrisis van Irak. Hij begon met
het doorduwen voor hernieuwde V.N.-wapeninspecties
in Irak, die de V.N. instelden
Resolutie van de Veiligheidsraad van de VN 1441.
Hans Blix en
Mohamed ElBaradei gaven leiding aan de
wapeninspecteurs van de VN in Irak. Er waren enkele
tijdsspannes in samenwerking en door de Iraakse
overheid geplaatste beperkingen op de inspecties,
die tot intens debat over de doeltreffendheid van
inspecties leidden. De stijgende druk van de
Verenigde Staten in de lente van 2003 dwong de
wapeninspecteurs van de V.N. om de inspecties te
beëindigen. Na zijn arrestatie beweerde Saddam nog
altijd dat hij geen massavernietigingwapens had en
dat hij inspecteurs niet in presidentiële gebieden
wilden laten gaan vanwege de privacy.
In de
regering van Bush drong minister van buitenlandse
zaken Colin Powell erop
aan dat de Verenigde Staten geen oorlog zou voeren
zonder de goedkeuring van de V.N.. Het beleid
onderzocht de mogelijkheid om een V.N.
Veiligheidsraadsresolutie te verkrijgen die het
gebruik van militaire kracht volgens het het
Handvest
van de Verenigde Naties te gebruiken, maar
verliet het idee omdat de meerderheid van de leden
van de Veiligheidsraad tegen het idee waren en er
een openbare dreiging met een veto van
Frankrijk was. In plaats
daarvan brachten de Verenigde Staten een groep van
ongeveer veertig landen samen, met inbegrip van het
Verenigd Koninkrijk,
Spanje,
Italië, Polen en
Nederland in de "coalitie
van willenden".
De coalitie
viel Irak in maart binnen, waarbij het vele
resoluties betreffende Irak van de Veiligheidsraad
aanhaalde (715, 778, 1060, 1150, 1205 en 1441),
huidig en afgelopen gebrek aan Iraakse samenwerking
met die resoluties, Saddams intermitterende
weigering om met de wapeninspecteurs van de V.N.
samen te werken, de beschuldiging dat Saddam de
vroegere president
George H.W. Bush in Koeweit probeerde te
vermoorden en Saddams schending van de
staakt-het-vurenverdragen uit 1991. De coalitie
beweerde dat deze resoluties het gebruik van kracht
machtigden. Andere wereldleiders, zoals
Secretaris-generaal van Verenigde Naties Kofi Annan, gingen niet
akkoord en noemden de oorlog onwettig. Het primaire
verklaarde doel van de oorlog was Irak tegen te
houden in het opstellen van en het ontwikkelen van
massavernietigingswapens door Saddam uit de macht te
verwijderen.
De coalitie
was zeer succesvol tegen de conventioneel bewapende
Iraakse strijdkrachten en verkreeg spoedig militair
overwicht over het gehele land. Na het verklaarde
eind van de belangrijke gevechtsverrichtingen op
1 mei 2003
veroorzaakten
opstandelingen wezenlijk meer problemen dan de
leiders van de V.S. hadden voorspeld. De Amerikaanse
openbare steun voor de politiek van Bush in Irak
daalde naar gelang de gevechten doorgingen.
Bovendien vond een rapport door mensen uit beide
politieke partijen van de geheime diensten geen
geloofwaardig bewijsmateriaal dat Saddam Hoessein
massavernietingingswapens bezat, hoewel het rapport
wel concludeerde dat de overheid van Hoessein actief
probeerde technologie te verwerven die het Irak
mogelijk zou maken om massavernietigingswapens te
produceren zodra de sancties van de V.N. werden
opgeheven.
Het rapport
vond ook "geen samenwerkingsverband" tussen Saddam
Hoessein en Al Qaida. Bush
heeft zijn besluit verdedigd, daarbij stellend dat
de "wereld vandaag veiliger is." Er zijn vragen over
vooringenomen vorming of vervorming van vooroorlogse
intelligentierapporten, democratisering van het
Midden-Oosten, de verhouding tot de "Oorlog
tegen het terrorisme", de verhouding van
Verenigde Staten tot Europese machten en de rol en
de functie van de Verenigde Naties, de wederopbouw
van Irak en het effect op nabijgelegen landen zoals
Iran, Syrië,
Libanon, en Turkije. In
december 2006 gaf Bush voor het eerst toe dat hij
niet aan het winnen is in Irak.
Naar
aanleiding van de voortdurend verslechterende
situatie in Irak kondigde Bush op 10 januari 2007
een sterke vermeerdering aan van het aantal
Amerikaanse troepen in Irak.Nadat de troepenaanvoer
voltooid is, in de zomer van 2007, begint het geweld
in Irak sterk af te nemen. Critici van Bush noemen
het gebrek aan politieke vooruitgang en blijven
tegen zijn Irakbeleid protesteren.
Tweede Inaugurele rede
Bush
gebruikte zijn tweede inaugurele rede in 2005 om
zijn visie over de spreiding van Democratie in de
wereld te geven. Hij stelde dat het het beleid van
de VS zou worden om de verspreiding van
democratische waarden te bevoorderen met als doel:
"het beëindigen van tirannie in de wereld." Hij
stelde voorts dat het handhaven van "de vrijheid in
ons land steeds meer berust op het succes van
vrijheid in andere landen". Critici noemen de rede
te idealistisch en vaag terwijl medestanders zijn
visie roemen.
Israël en Palestina
Tijdens de
eerste jaren van zijn presidentschap besteedde Bush
relatief weinig tijd aan het Israëlisch-Palestijnse
conflict. Hij weigerde categorisch met de oud-leider
van de PLO, Yasser Arafat, van doen te hebben en
wachtte op nieuw Palestijns leiderschap. In 2005
werd Bush de eerste Amerikaanse president die
openlijk zijn steun uitsprak voor een "Democratische
Palestijnse staat die vreedzaam zij aan zij bestaat
met een veilig Israël". In november 2007 riep Bush
een conferentie bijeen in Annapolis, Maryland waar
Israël, de Palestijnen alsmede andere Arabische
landen bij aanwezig waren. Bush zei tot doel te
hebben om voor het einde van 2008 een definitieve
vredesovereenkomst tussen Israël en de Palestijnen
te bereiken.
Militaire uitgaven
Van de 2,4
biljoen dollar in het budget van
2005 zijn ongeveer 401 miljard dollar
gereserveerd voor defensie (16,7 %, Nederland ter
vergelijking: 5,7 %). Aangepast aan de inflatie is
deze militaire begroting hoger dan in de jaren '90
van de vorige eeuw, maar ruwweg vergelijkbaar met
het gemiddelde tijdens de
koude
oorlog.
Politieke ideologie
Bush wordt
over het algemeen beschreven als
conservatief of
'meelevend conservatief', dat laatste is een term
die hij over zichzelf heeft gebruikt. Conservatieven
hebben Bush bekritiseerd om zijn bereidheid om grote
begrotingstekorten te handhaven. In zijn eerste
beleidsnota van 2005 schetste hij zijn nieuwe
buitenlandse beleid als de "Strategie van de
Nationale Veiligheid". De medestanders van Bush zien
de verwerping van "machtsevenwicht"-politiek en een
herdefiniëring van de rol van Amerika in het
internationale forum als een noodzakelijk beleid.
Critici van Bush zien het als terugtrekking van
Amerika uit het internationale forum.
Binnenlands beleid
Op religie gebaseerde
initiatieven
Begin 2001
veranderde Bush met behulp van Republikeinen in het
Congres de wet die de wijze van controle, belasting
en financiering door de federale overheid regelt van
liefdadigheid en initiatieven zonder winstbejag
vanuit godsdienstige organisaties. Hoewel het voor
deze organisaties ook voor de wetgeving mogelijk was
om federale hulp te ontvangen, hoeven deze
organisaties met de nieuwe wetgeving hun liefdadige
functies niet meer van hun godsdienstige functies te
scheiden. Bush zorgde voor een functie binnen het
Witte Huis
voor op geloof gebaseerde initiatieven en
gemeenschappen. Verscheidene organisaties zoals de
American
Civil Liberties Union (ACLU) hebben het op
geloof gebaseerde initiatievenprogramma van Bush
bekritiseerd omdat zij het een schendig van de
scheiding tussen kerk en staat vinden.
Diversiteit
Bush heeft
zich tegen de meeste vormen van positieve
discriminatie verzet, maar zich goedkeurend
uitgelaten over een uitspraak van het federaal
hooggerechtshof die de voortgezette selectie van
universiteitskandidaten op basis van diversiteit
mogelijk maakte. Bush heeft de
Nationale Stedelijke Liga als president ontmoet.
In 2000 sprak hij in Baltimore als
presidentskandidaat voor de jaarlijkse conferentie
van de NAACP
Colin Powell werd in
Bush's eerste regeringstermijn de eerste zwarte
minister van buitenlandse zaken. In 2005 werd Powell
opgevolgd door
Condoleezza Rice, de eerste zwarte vrouw op
dezelfde positie.
Bush is
tegen het
homohuwelijk en steunde een voorstel de grondwet
van de Verenigde Staten aan te passen zodat het
huwelijk bepaald zou worden als de vereniging van
man en vrouw. Zo moet het de afzonderlijke staten
onmogelijk worden gemaakt om in hun wetgeving het
homohuwelijk te legaliseren. Wel wil Bush de staten
ruimte laten om civielrechtelijke
samenlevingscontracten te erkennen.
Tijdens de
eerste termijn van Bush werd
Michael Guest de eerste openlijk homoseksuele
ambassadeur (in Roemenië). (De eerste openlijk
homoseksuele ambassadeur,
James Hormel, had een recesbenoeming gekregen
van Bill Clinton toen de
Senaat niet tot bevestiging overging).
Economie
Tijdens zijn
eerste termijn verkreeg Bush goedkeuring van het
Congres voor drie forse belastingverlagingen, die de
inkomstenbelastingsreductie voor gehuwden
verhoogden, de onroerendgoedbelasting elimineerden
en ook andere marginale belastingtarieven
verlaagden. Deze belastingverlagingen zullen in hun
huidige vorm na het verstrijken van een decennium
komen te vervallen. Bush heeft het Congres gevraagd
om deze belastingverlagingen permanent te maken.
Volgens het Centrum voor de Prioriteiten van de
Begroting en van het Beleid, hadden deze
belastingverlagingen de totale federale inkomsten
over 2003 als percentage van het
bruto
binnenlands product (het BBP) verminderd tot het
laagste niveau sinds 1959.
Het effect
van deze belastingverlagingen moest in combinatie
met gelijktijdige verhogingen van uitgaven wel
begrotingstekorten creëren. In het laatste jaar van
het presidentschap van Clinton toonde de federale
begroting een jaarlijks overschot van meer dan $230
miljard. Onder Bush keerde het begrotingstekort
terug. Het jaarlijkse tekort bereikte recordniveaus
van $374 miljard in 2003 (aangepast aan de inflatie)
en $413 miljard in 2004. Toch waren deze tekorten
als percentage van het BBP lager dan het record van
na de Tweede
Wereldoorlog, dat ten gevolge van het fiscale
beleid van Ronald Reagan
in de jaren '80 werd gevestigd. In een open brief in
2004 schreven meer dan 100 hoogleraren op financieel
en economisch terrein de 'fiscale ommekeer' toe aan
het beleid van Bush'
belastingverlagingen die
hoofdzakelijk ten goede komen aan de bovenlaag van
de inkomenspyramide".
Voorstanders
van Bush hebben hiertegen ingebracht dat
hoofdzakelijk ten gevolge van het verdubbelen van de
waarde van het kindbelastingkrediet,
"7,8 miljoen
families met een laag dan wel gemiddeld inkomen hun
volledige inkomstenbelastingsverplichting
geannuleerd zagen dals gevolg van de
belastingverlagingen." Bovendien had de regering
Bush te maken met een unieke combinatie van
negatieve factoren waaronder het einde van de
internethype, diverse boekhoudschandalen, de naweeën
van de Azië-crisis en het geschokte
consumentenvertrouwen na 9/11, die alle de economie
wereldwijd ernstige schade hadden berokkend. Door
het beleid van Bush bleef de Amerikaanse consumptie
op peil. Hiervan profiteerde zowel de economie in de
VS als in de rest van de wereld.
Volgens de
"baseline" voorspelling van federale inkomsten en
bestedingen door het Congresbureau voor de Begroting
(CBO; in zijn Projecties van de Begroting van de
Basislijn van januari 2005) zou de tendens van de
stijgende tekorten tijdens de eerste termijn van
Bush veranderen in krimpende tekorten gedurende zijn
tweede termijn. Volgens deze projectie zal het
tekort in 2005 $368 miljard zijn, $261 miljard in
2007, en $207 miljard in 2009, met een klein
overschot in het jaar 2012. Het CBO constateerde
echter dat deze projectie
"een significant
gedeelte van de uitgaven voor dit jaar buiten
beschouwing laat - en misschien ook in de komende
tijd - voor de militaire acties van de V.S. in Irak
en Afghanistan en voor andere activiteiten met
betrekking tot de wereldwijde 'oorlog
tegen het terrorisme'." De projectie
veronderstelt ook dat de belastingverlagingen van
Bush op 31 december 2010
zullen komen te vervallen zoals in de wet bepaald.
Als echter -zoals Bush heeft aangekondigd- de
belastingverlagingen worden gecontinueerd, dan
zullen de "begrotingsverwachtingen voor 2015 van een
overschot van $141 miljard in een tekort van $282
miljard veranderen."
Nadat het
laatste banenrapport vóór de verkiezing van 2004
werd vrijgegeven, bleven de aanhangers van Kerry
Bush bekritiseren als de eerste Amerikaanse
president na Herbert
Hoover tijdens wiens termijn een netto verlies
aan arbeidsplaatsen was opgetreden. Door de
aantallen van november en december mee te tellen
slaagde Bush erin op een netto groei van
arbeidsplaatsen tijdens zijn eerste termijn uit te
komen.
Sociale voorzieningen
Bush heeft
belangrijke veranderingen voorgesteld in de Sociale
Voorzieningen van de Verenigde Staten (Social
Security), een kwestie die hij identificeert als
prioriteit voor zijn tweede termijn. In 2005, maakte
Bush een voorstel voor belastingvoordelen voor
belastingen van Sociale Voorzieningen progressief te
verminderen en gedeeltelijke privatisering in het
pensioenplan op te nemen door individuele arbeiders
toestaan om een gedeelte van hun belastingen van
Sociale Voorzieningen in persoonlijke
pensioneringsrekeningen te investeren. De meeste
Democraten en veel Republikeinen zijn kritisch op
dergelijke ideeën, onder meer wegens de vereiste
kosten van het plan ($1 triljoen of meer) om de
overgang te bekostigen en wegens de problemen die
ontstonden in het financieren van het
geprivatiseerde pensioenplan in het
Verenigd Koninkrijk.
Gezondheid
Bush
ondertekende het De 'Medicare Prescription Drug,
Improvement, and Modernization Act' van 2003, die de
dekking van de voorschriftgeneesmiddelen toevoegde
aan de Gezondheidszorg voor bejaarden in de
Verenigde Staten (Medicare),
farmaceutische bedrijven subsidieerde en de Federale
overheid belemmerde bij het onderhandelen over
kortingen met farmaceutische bedrijven.
Bush is 'pro-life'
(tegen abortus); zijn doel is
naar eigen zeggen een "cultuur van leven" te
bevorderen.
Onderwijs
In januari
2002 ondertekende Bush de
No Child Left Behind Act, die zich op het
steunen van vroeg leren richt. De Act regelt het
meten van prestaties van de student, geeft
beleidsopties voor de aanpak van falende scholen, en
verzekert meer middelen voor scholen. Critici, met
inbegrip van Senator Kerry en de
Nationale Vereniging van het Onderwijs, zeggen
dat de scholen niet de middelen krijgen om aan de
nieuwe normen te voldoen, hoewel het Comité voor
Onderwijs van het Huis van Afgevaardigden in juni
2003 zei dat in drie jaar onder het beleid van Bush
het budget van de ministerie van Onderwijs met 13,2
miljard dollar is verhoogd. De overheden van sommige
Amerikaanse deelstaten weigeren om bepalingen in de
Act uit te voeren zolang zij niet voldoende fondsen
ontvangen.
Wetenschap
Op
19 december 2002 ondertekende Bush de
wet H. R. 4664, de verregaande
wetgeving om de
National Science Foundation (NSF) een zet te
geven richting de verdubbeling van zijn begroting
over vijf jaar en nieuwe initiatieven te creëren
voor wiskunde en
exacte wetenschappen, zowel op pre-universitair
als op bachelorniveau.
Sommige
wetenschappers zijn
ontstemd over
immigratiebeperkingen die voortkwamen uit
overwegingen van nationale veiligheid, met als
onbedoeld gevolg een dalende immigratie van
buitenlandse wetenschappers.
Bush verzet
zich tegen embryonaal stamcelonderzoek en maakt
hiervoor slechts beperkte middelen vrij. De federale
subsidiëring van het
embryonale stamcelonderzoek werd ingevoerd onder de
regering-Clinton (op
19 januari
1999), maar er kon geen geld worden uitgegeven
tot de richtlijnen bekend werden gemaakt. De
richtlijnen werden vrijgegeven onder Clinton (op
23 augustus 2000). Zij stonden het gebruik
van ongebruikte, bevroren embryo's
toe. Op 9 augustus 2001 kondigde Bush, nog voordat
enige subsidie verleend was, wijzigingen in de
richtlijnen aan die enkel het gebruik van de
bestaande lijnen van stamcellen toe zou staan.
Hoewel Bush
beweerde dat er al meer dan 60 particulier
gefinancierde lijnen van embryonale stamcellen
bestonden voor onderzoek,
zeiden wetenschappers in 2003
dat er slechts 11 bruikbare lijnen waren; in
2005 volgde de mededeling dat
alle lijnen met goedgekeurde, federale subsidiëring
vervuild en onbruikbaar waren. Financiering van
onderzoek op volwassen stamcellen werd niet beperkt.
In februari
2004 ondertekenden meer dan
5.000 wetenschappers — waaronder 48
Nobelprijswinnaars — van
de
Union of Concerned Scientists een verklaring die
zich "verzet tegen het gebruik van wetenschappelijk
advies van overheidswege door de regering-Bush". Zij
stelden dat "de regering-Bush onbevooroordeeld
wetenschappelijk advies heeft genegeerd bij de
beleidsvorming die zo belangrijk is voor ons
collectief welzijn".
Op
14 januari 2004 kondigde
Bush een grote verhoging van het budget van de
NASA aan in
zijn "visie voor ruimte-exploratie". Hierin roept
hij op tot een terugkeer naar de
maan in 2020, de voltooiing
van het
internationaal ruimtestation ISS in
2010 en uiteindelijk het sturen
van astronauten naar
Mars. Hoewel het plan
over het algemeen lauw werd ontvangen, werd de
begroting met een paar kleine veranderingen
goedgekeurd na de verkiezingen in november. In
januari 2005 gaf het
Witte Huis
een nieuw document uit waarin het ruimtebeleid van
de regering in grote lijnen geschetst wordt en dat
de ontwikkeling van ruimtetransportmogelijkheden aan
nationale veiligheidseisen bindt.
Milieu
Het
milieubeleid van de
regering-Bush is bekritiseerd door de meeste
milieudeskundigen, die stellen dat zijn beleid
toegeeft aan de eisen van
industrieën om de milieubescherming af te
zwakken. Twee belangrijke wetten stuitten in
2002 echter op weinig weerstand:
de
Great Lakes Legacy Act die de federale overheid
machtigt een begin te maken met het opruimen van
verontreiniging en vervuilde
sedimenten in de Grote
Meren en de
Brownfields Legislation die de schoonmaak van
verlaten industriegebieden en "brownfields"
(verlaten opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen,
benzinestations en dergelijke) versnelt.
In december
van 2003 ondertekende Bush
wetten die de belangrijkste punten van zijn "Gezonde
bossen-initiatief" ten uitvoer moeten brengen.
Milieugroepen stellen dat dit plan simpelweg
neerkomt op het weggeven van hakhout
aan
houtzagerijen. Bush heeft aangedrongen op het
winnen van aardolie uit
grote voorraden in het ecologisch gevoelige
Arctic National Wildlife Refuge, een
natuurgebied boven de
poolcirkel. Dit gebied
wordt algemeen beschouwd als de laatste ongerepte
wildernis van de
Verenigde Staten. Het merendeel van de hier
gewonnen olie wordt verscheept naar andere landen,
zoals Japan, waar Amerikaanse
oliemaatschappijen
grotere winsten kunnen behalen. De buitenlandse
verkoop van deze aardolie vergroot de controverse
aangezien eerder werd gesteld dat het boren in dit
gebied de Amerikaanse afhankelijkheid van het
buitenlandse fossiele energie zou verkleinen. Een
ander controversieel onderwerp is het "Schone
luchtinitiatief"; tegenstanders zeggen dat
nutsbedrijven door het
initiatief de mate van hun verontreinigende uitstoot
in feite kunnen opvoeren.
Bush is
tegen het Kyoto-protocol
gekant omdat het volgens hem de economie van de
Verenigde Staten schade zou berokkenen.
Milieugroepen merken echter op dat vele ambtenaren
van de regering-Bush, naast Bush en Cheney zelf,
banden hebben met de energie-industrie, de
automobielindustrie en andere groepen die tegen de
milieubescherming hebben gestreden. Bush zegt
zelf dat zijn reden om het Kyoto-protocol niet te
steunen is dat het protocol buitensporig streng is
voor de V.S. maar tegelijkertijd andere grote landen
zoals China en
India vrijwel ongemoeid laat.
Bush verklaarde dat "China de op een na grootste
producent van broeikasgassen
is. Toch werd China volledig vrijgesteld van eisen
in het Kyoto-protocol". Ook heeft hij twijfel
uitgesproken aan de
wetenschappelijke basis van het
broeikaseffect en
aangedrongen op meer onderzoek om de geldigheid
daarvan te bepalen.
Begin
2005 kwam de mededeling vanuit
het Witte
Huis dat de regering-Bush nu overtuigd is van
het bestaan van het broeikaseffect. De regering-Bush
stelt tegenwoordig te "willen zoeken naar
technologische
oplossingen om de vervuiling tegen te gaan zonder de
industrie in te perken".
Immigratie
Bush, in het
algemeen voorstander van open grenzen, heeft de
liberalisatie van het immigratiebeleid van de V.S.
tot een van de prioriteiten van zijn tweede termijn
gemaakt. Hij heeft
immigratiewetgeving voorgesteld die het gebruik
van gastarbeidersvisa sterk zou
uitbreiden. Zijn voorstel zou werkgevers koppelen
aan buitenlandse arbeiders voor een periode van
maximaal 6 jaar. Tijdens deze periode kunnen de
immigranten zich dan aanmelden voor een vaste
verblijfsvergunning, wat vaak jaren kan duren. Bush
verzet zich tegen een algemene
amnestie
voor illegaal verblijvende vreemdelingen. Hij vindt
dat de immigranten die op een eerlijke manier het
land proberen binnen te komen, zo benadeeld worden.
Naar schatting waren er medio 2005
15 miljoen illegalen in de V.S.
Handel
Bush's
tariefheffingen op ingevoerd
staal en op
Canadees zacht timmerhout
waren controversieel gezien zijn formeel beleden
ideologie van vrije
marktbeleid en trokken kritiek aan van zowel
medeconservatieven als beïnvloede landen. Het
staaltarief werd later herroepen onder druk van de
Wereldhandelsorganisatiegegaan.
President
Bush heeft geweigerd te handelen tegen de diefstal
van intellectueel
eigendom door bedrijven in China, zoals die
provisies in de "Overeenkomst over Commerciële
Aspecten van Intellectueel eigendomsrecht" van de
Wereldhandelsorganisaties mogelijk maken.
Belangrijke aanstellingen
Kabinet
Het kabinet
van Bush omvatte het grootste aantal leden afkomstig
uit etnische minderheden van ieder federaal kabinet
van de Verenigde Staten, waaronder de eerste
vrouwelijke Aziatisch-Amerikaanse minister ooit, de
minister van Arbeid
Elaine Chao. De diversiteit van zijn kabinet gaf
aanleiding tot een vermelding in het
Guinness Book of
Records.
Er is één
niet-Republikein in het huidige kabinet van Bush:
minister van Verkeer
Norman Mineta. Deze Democraat werd het eerste
Aziatisch-Amerikaanse kabinetslid in de Amerikaanse
geschiedenis als minister van Handel voor
Bill Clinton.
Bush stelde
vele personen aan met een lange staat van dienst bij
de Amerikaanse overheid, waaronder
Colin Powell, die als
adviseur voor Nationale Veiligheid diende onder
Ronald Reagan en als
chef van de Generale Staf onder
George H.W. Bush en Bill
Clinton, en minister van Defensie
Donald Rumsfeld, die
ook als minister van Defensie diende onder
Gerald Ford en daarmee
zowel de jongste als de oudste Amerikaanse minister
van Defensie werd. Bush's vicepresident,
Dick Cheney, was minister
van Defensie onder George H.W. Bush.
Archief presidentsverkiezingen
2000 |
Archief presidentsverkiezingen
2004